Sleutels
‘Ja echt, ben jij zo goed met naald en draad?’
Marian glunderde. ‘Ik maak al jaren al mijn eigen kleding en sinds kort die van Elsa ook.’
‘Goh,’ zei mijn lief terwijl ze opstond, ‘dan ga ik je zo meteen iets vragen.’
Zonder verdere toelichting liep ze de kamer uit. Ik vroeg me af wat ze van plan was.
Een paar minuten later kwam ze terug, een wollen jas over haar arm. Mijn wollen jas uit Peru, design regenboog. Lang geleden gekocht op een markt in Amsterdam. Drie keer mee verhuisd omdat het zo’n dure jas was. Dragen deed ik hem al lang niet meer. Te kleurrijk, maar vooral te warm. In de bergen en hoogvlaktes van Peru heerst nu eenmaal een ander klimaat dan hier.
‘Zou jij hier een nieuwe rits in willen zetten?’ vroeg ze.
Marian nam de jas over, bekeek hem aan alle kanten. ‘Dat wordt wel handwerk, mijn machine blijft haken achter de woldraad. Zal niet goedkoop zijn.’
‘Geen probleem, zo heeft ze er ook niets aan,’ zei mijn lief.
Zonder overleg was één ding, maar praten over mij alsof ik er niet zelf bij was, dat kon ik niet over mijn kant laten gaan.
‘Ik ….., ‘ begon ik. Maar ik kreeg geen kans.
‘Ik geef je vooraf vijfentwintig euro mee, ik hoor het precieze bedrag wel als het gelukt is,’ zei mijn lief, om vervolgens over te gaan tot de orde van de dag. Met haar liefste glimlach vroeg ze wie er nog koffie of thee wilde.
Zoals gewoonlijk zat ik nog na te denken hoe ik dit het beste aan kon pakken toen zij de conversatie al lang in andere banen geleid had.
De feestelijkheden in de stad, de rede van Obama, Roze Zaterdag in Den Haag, de prijzenoorlog in de supermarkt, het waren maar een paar van de onderwerpen die het uur daarna de revue passeerde.
‘Hé, gezellig zo,’ zei Elsa tegen de klok van vier. ‘Maar wordt het niet eens tijd om te gaan Marian. Anne heeft nog correctiewerk te doen, weet je nog.’
Marian knikte, stond op en vroeg om een plastic tas voor mijn Peruaantje.
Met de armen om elkaar heen geslagen zwaaiden we hen uit. Keeping Up Appearances.
Nog niet eens terug binnen zette ik de aanval in. ‘Zou je voortaan …..’Ook nu geen schijn van kans. Ze legde een vinger op mijn lippen.
‘Schat, ik heb iets voor je,’ zei ze terwijl ze me met haar vrije hand een bos sleutels gaf. Een huissleutel, een loper en twee kleinere sleutels die van een fiets zouden kunnen zijn.
‘Ja en? Wat moet ik daarmee? Een gat in de lucht springen dat je ze eindelijk weer gevonden hebt?’ vroeg ik bits.
‘Dat dacht ik ook, maar nee, ze zijn niet van mij. Ze komen uit jouw jas en passen niet op onze deuren. Dus jij mag het uitleggen.’
Haar stem klonk neutraal maar bedoelde ze het ook zo? Ik keek haar aan, ook haar ogen verrieden niets. Geen achterdocht, geen wantrouwen, alleen een gezonde nieuwsgierigheid.
‘Ik heb geen idee, heb nooit een loper gehad’, zei ik, terwijl ik probeerde of de loper echt niet paste.
‘Geloof me nou maar, dat lukt je niet.’ Zoals gewoonlijk had ze gelijk.
De sleutelbos kwam terecht op een hoekje van het aanrecht en bleef daar weken lang liggen. Elke keer als ik er voorbij kwam pijnigde ik mijn hersens suf. Tot vandaag had ik werkelijk geen idee.
Vanmorgen aan het ontbijt schoof mijn lief mij een dun boekje toe. Een dichtbundel van Willem Wilmink. Het boekje was opengeslagen bij een gedicht dat begon met de regels: Die huizen in de binnenstad, waarvan je eens een sleutel had.
Ik word geraakt, lees verder, zuig de woorden in mij op. De ik-figuur in het gedicht, ik voel met hem mee zoals hij langs alle huizen fietst waar eens een geliefde woonde, waar hij eens zomaar binnen kon gaan. Oh, wat kent mijn lief mij goed. Want plotsklaps weet ik het. Ik weet waar de sleutels thuishoren.
Het was jaren geleden in een cafeetje in België. Zij en ik, bijna ex-geliefden. We hielden van elkaar maar onze liefde alleen was niet genoeg, het ging niet meer. Met tranen in de ogen namen we afscheid, zij gaf mij mijn sleutels terug. Toen ik haar de hare wilde overhandigen keek ze me aan.
‘Houdt ze maar, je kunt tenslotte nooit weten,’ fluisterde ze, waarna ze opstond en wegging.
Ik bleef nog een half uur verdwaasd zitten, betaalde de rekening en liet de sleutels bewust op tafel achter. Een hijgende ober bracht ze me na op het moment dat ik mijn auto startte.
Haar laatste zin hield me maandenlang bezig. Wat kon ik, of zij, tenslotte nooit weten? Dat we ons vergist hadden? Dat we toch bij elkaar hoorden? Dat we het over een tijdje wel zouden redden? Een antwoord vond ik niet om de simpele reden dat ik het diep van binnen al lang wist. Zij en ik, het was onmogelijk. Toen ik dat hardop aan mezelf durfde bekennen verdwenen de sleutels naar de achtergrond, ze raakten uit mijn gedachten. Ik zette mijn leven weer op de rails, kwam een nieuwe liefde tegen. Een die ondanks alle verschillen wel bij me paste.
Ik stond op, liep naar de keuken. Ze lagen nog steeds op het hoekje van het aanrecht. Als een kleinood stak ik de sleutels in mijn handtas, nam ze vanaf die dag overal mee naar toe.En weer pijnigde ik mijn hersens suf. Wat moest ik er mee? Was ik het niet aan haar verplicht er iets bijzonders mee te doen?
Lang dacht ik na over ritueel begraven. Zodat haar sleutels ooit, lichtjaren verder, door een archeoloog zouden worden opgegraven en misschien in een museum terecht zouden komen. Een mooie gedachte, maar begraven heeft behalve afscheid nemen ook met dood te maken. En dat laatste zal ze nooit zijn zolang ik leef. Daarom heb ik de sleutels vorige week, ook al was het maar een beetje ijzer, laten omsmelten. Van dat brokje ijzer heb ik een nieuwe sleutel laten maken. Een sleutel die past op het huis waar ik nu woon. Een huis waar liefde woont. Een huis waar vrijheid woont. De vrijheid die zij me gaf door afscheid van me te nemen.