Ploemkool
Eerder verschenen in de Volkskrant
Malika. Amper zes en mijn buurmeisje.
In mijn auto beland dankzij een reis van haar talentvolle ouders en nog talentvollere broer. Violisten. Alle drie. Op uitnodiging een serie concerten in Salzburg. In vakantietijd. Of ik …..? En zeg dan maar eens nee. Mijn vakantie was al geboekt. Malika en ik dus, veroordeeld tot twee weken Zeeuws Vlaanderen.
Gezien mijn keus me niet te binden, was met kind op vakantie een voor mij onbekend fenomeen. Termen als BOM, KI, IVF lagen in mijn vruchtbare jaren nog sluimerend in de hersenen van de geleerden.
Mijn achteruitkijkspiegel liet een klein hoopje mens tussen koffertjes en kussens zien. Het leek me hét moment te vragen wat we bij aankomst bij de plaatselijke supermarkt in de kar zouden leggen. “Ik ben héél gemakkelijk”, zei ze. “Ik lust alles met een P.” “Peertjes, peen, prei, paprika, postelein”, somde ik op. “Peertjes ken ik, maar de rest niet. Dat moet anderlands eten zijn en dat lust ik niet”, antwoordde ze. “Ik bedoel patat, poffertjes, pannenkoeken, pindakaas, pizza en pistoletjes.” Over anderlands gesproken, was daar niet Italiaans en Vlaams bij?
Terwijl de A27 ons welkom heette in Brabant begreep ik dat de kommen voor gezonde maaltijdsalades dit keer overbodig in mijn bagage zaten. Wat ze graag deed was mijn volgende vraag. Zo gemakkelijk. Al haar hobby’s begonnen met een Z. Zwemmen, zandbak, zingen, zappen. Geen probleem toch, dat laatste kon ze vast wel twee weekjes missen. Zelf dacht ze daar anders over. Een camping zonder tv? Het idee zeg.
Een nieuwe vraag moest zeuren voorkomen. Of ze het leuk vond naar groep drie te gaan, te leren lezen. “Oh, kan ik al hoor, heeft Gideon mij geleerd”. Gideon, de talentvolle broer. “Hartstikke makkelijk, gewoon hakken en plakken”. Via wegwijzerborden probeerde ze haar uitleg aanschouwelijk te maken maar 120 kilometer per uur belemmerde dat. Ze prevelde in zichzelf, onverstaanbaar.
De A58 liet weten dat we ook in Zeeland van harte welkom waren. Nog een krappe drie kwartier en alles onder controle. Wat kilometers verder vroeg ze me wat “twaalf oom” betekende. Ik had geen idee waar ze het over had. “Kijk dáár”, wees ze. “Maar nu staat er “zes oom”.” Ik schoot in de lach. Legde haar uit dat daar 600 meter mee bedoeld werd en dat we dan een tunnel in gingen. “Een tunnel!”, krijste ze. “Ik haat alles met een T. Tekenen, torren, tenten, maar vooral tunnels”.
Terwijl Borssele langzaam wegzakte doken wij de donkere buis in. Menig operazangeres had jaloers kunnen worden op haar stemvolume. Gillen, krijsen, 6,5 kilometer lang. Daarna haatte ze me, ook al begon ik niet met een T. Ik werd toch ietwat zenuwachtig.
Maar ze had gelijk, ze was gemakkelijk. We zwommen, zekenden, zazen en zietsten. We aten ploemkool, pla en paghetti en pizza. Ze lachte constant, zelfs in haar slaap. Een T bleef over. Terugreis! Maar die maakte ik haar zo gemakkelijk mogelijk. Via onze zuiderburen. En daar mocht ze haar hart ophalen aan anderlands eten: Vlaamse frieten.